Singing in the brain.

  • strict warning: Declaration of views_handler_filter_node_status::operator_form() should be compatible with views_handler_filter::operator_form(&$form, &$form_state) in /home/hvv1b/public_html/sites/all/modules/views/includes/handlers.inc on line 76.
  • strict warning: Declaration of views_plugin_style_default::options() should be compatible with views_object::options() in /home/hvv1b/public_html/sites/all/modules/views/includes/handlers.inc on line 76.
Non-fictieNon-fictie
boek-afbeelding: 
Auteur: 
Erik Scherder
Uitgeverij: 
Athenaeum, Polak & Van Gennep, 2017
ISBN: 
978902530703

Voor iedereen die van muziek houdt – gaande van professioneel zingen, componeren of dansen tot sporadisch meebrullen of “trouwfeest-wiegen” – en zich al eens heeft afgevraagd wat dat mentaal zoal doet met een mens, zal dit boek zeer aantrekkelijk ogen. De vragen die worden gesteld op de flaptekst en in de inleiding beloven de lezer namelijk zowel een breder inzicht als diepgang: “Wat gebeurt er in de hersenen als we naar muziek luisteren? Waarom wordt een liedje een hit? Waarom houden we van droevige muziek?” Of als het al iets meer in detail mag gaan: “Welke neurale systemen worden actief bij verschillende aspecten van muziek? Welke gebieden spelen een rol bij onze muziekvoorkeur? Verschillen de hersenen van musici van die van niet-musici?” Stuk voor stuk interessante vragen, die dan ook hoge verwachtingen scheppen…

Het begint alvast goed, want de inleiding van het boek volgt een gestructureerde opbouw die in vele andere populariserende werken ontbreekt: Scherder start met een overzicht van de relevante bestaande literatuur, en motiveert dan waarom hij de nood zag aan nog een boek – het zijne dan. Het is vooral de specifieke invloed van muziek op onze hersenen die in wetenschappelijk onderzoek reeds ruim aan bod komt, maar in de boekhandel om de hoek nog ontbreekt. Scherder motiveert daarmee zijn modus operandi: hij put uit de internationale vakliteratuur en wil deze met de hulp van een heleboel afbeeldingen voor iedereen toegankelijk maken. Daar voegt hij onmiddellijk aan toe dat causaliteit (een duidelijke oorzaak-gevolg-relatie) nog zelden kan worden hard gemaakt in deze eerder jonge discipline, zodat de focus ligt op correlaties (niet-causale verbanden). Dergelijke waarschuwing voor de lezer, die vaak ontbreekt in vulgariserende werken. is nodig voor de lectuur van het vervolg.  Hiermee bewijst de auteur dat hij niet zomaar een verhaaltje wil vertellen, maar het wetenschappelijk correct wil aanpakken. Ook de academische manier van refereren doorheen de gehele tekst en de imposante bibliografie bewijzen dat laatste.

De rest van het boek zal dan ook voor heel wat lezers een teleurstelling zijn. Het boek vormt grotendeels een opeenvolging van conclusies uit wetenschappelijke reviews (overzichtsartikelen) die allesbehalve een vlot leesbaar geheel vormen. Je krijgt al snel het gevoel dat je een uitgeschreven hoorcollege in de hand hebt waarbij zeer technisch jargon allesbehalve gemeden wordt en bovendien enige duiding – helaas – ontbreekt. Een definitie van ‘timbre’ is bijvoorbeeld pas te vinden op pagina 112, van ‘spiegelneuronen’ op pagina 114. En om een extreem voorbeeld te geven: de toelichtende tekst bij afbeelding 32 (p. 99) is “De inferior precentrale sulcus, de superior frontale gyrus, de premotor cortex en de intrapariëtale sulcus tonen een verhoogde activiteit bij het opslaan en herhalen van tonale muziekfragmenten. Het pars orbitalis van de inferior frontale gyrus vertoont een verhoogde activiteit bij het verwerken van atonale muziek.” Voor sommigen zal dat wel nuttige informatie opleveren, maar ik denk dat Scherder hiermee toch weinig lezers van dienst zal zijn. Je moet de appendices met uitgebreide toelichting bij de verschillende hersengebieden eigenlijk voortdurend naast je hebben om veel van de tekst te kunnen opsteken (al wordt er nergens expliciet naar gerefereerd).

 Zelfs na het lezen van alle 381 bladzijden is het me dan ook nog steeds niet echt duidelijk voor wie het boek eigenlijk is bedoeld. Voor de muziekkenner die over het effect ervan op de hersenen wil leren, of voor de hersenspecialist die iets over de invloed van muziek op zijn discipline wil weten? Een leek in beide zal het in elk geval (zeer) moeilijk hebben om vol te houden. Door conclusies van reviews direct te willen vertalen richting een breed publiek – in plaats van vanuit de bovenvermelde vragen informatie te sprokkelen uit reviews – en daarbij een verwarrende combinatie van Engelstalig en Nederlandstalig jargon en over-vereenvoudigde conclusies te hanteren, mist Erik Scherder een grote kans om in voor iedereen begrijpbare taal te schrijven. Zelfs de sporadische “notenkrakers” die inzichten rond een bepaald thema moeten bundelen, zijn veelal onleesbaar. De ‘cases’ en – vaak flauwe – eigen anekdotes die elk hoofdstuk afsluiten, maken de meest toegankelijke tekst in het boek uit, maar deze leveren op hun beurt dan nauwelijks iets bij van wetenschappelijke waarde. Gelukkig kan je af en toe - al is het wel enigszins zoeken - nog wel eens een samenvatting tegenkomen die echt van dienst kan zijn.

Een positieve noot dan. Ondanks de ‘zware’ taal wordt de hoofdconclusie van het boek gelukkig al snel duidelijk: “Het luisteren naar of beleven van muziek heeft een positief effect op de “(1)” van “(2)”,” waarbij je naar hartenlust hersendelen of -functies kan invullen onder “(1)” en persoonsgroepen onder “(2)”. Wat “(1)” betreft behandelt Scherder vooral zaken als (autobiografisch) geheugen, verschillende netwerken en mechanismen voor emotieregulatie, intellectuele prestaties, en instinctieve ritmiek. Dat laatste behoort tot onze biologische ‘muzikaliteit’ (tegenover culturele ‘muziek’) - denk maar aan sociale cohesie door synchronie (bv. groepsdansen of marcheren van soldaten), de seksualiteit van koppeldansen, de voorkeursritmes voor bepaalde activiteiten, etc. Het scala aan personaliteiten dat het boek bespreekt onder “(2)” is minstens even groot: dit gaat van mensen met ADHD en astmapatiënten over verschillen tussen musici en niet-musici (die er niet altijd zijn) tot (depressieve) componisten, pijnpatiënten, slaapgestoorden, vluchtelingen en kinderen, van alle leeftijden. Vooral voor kinderen onder zeven jaar met een nog grote neuroplasticiteit blijkt muziek een zeer gunstig effect op de hersenontwikkeling te hebben, maar de duur en intensiteit van de muziekbeleving zijn daarbij wel van doorslaggevend belang.

 Het laatste hoofdstuk zorgt nog voor enige verrassing door ‘praktische tips’ aan te bieden over onder andere het bestrijden van oorwormen (deuntjes die ongewild in het hoofd blijven plakken) en het schrijven van een hit. Maar het antwoord op de vraag waarom een hit een hit wordt – zoals vermeld op de flaptekst – is alweer teleurstellend: Scherder laat naar eigen zeggen hitschrijvers aan het woord bij gebrek aan relevante wetenschappelijke literatuur, maar dat is allesbehalve hetzelfde als de vraag beantwoorden. De flaptekst bevat nog wel meer misleidende informatie door te vermelden dat “De meest bevlogen professor van Nederland vertelt zoals alleen hij dat kan: met vaart, vaardigheid en een groot inlevingsvermogen.” Dat lijkt wel te gelden voor de vlotte tv-optredens van Erik Scherder (zie youtube), maar volgens mij is dit boek in zijn geheel geen aangename lectuur. Het soms op het kinderlijke af enthousiasmeren – genre “Dat is heel leuk!” en “Ik heb er zin in!” komt een aantal keren terug – strookt niet met het niveau van de rest van de tekst, en schiet daarmee - net zoals het boek zélf - zijn doel voorbij.

 

Arno Keppens