Bekentenissen van een hersenchirurg

  • strict warning: Declaration of views_handler_filter_node_status::operator_form() should be compatible with views_handler_filter::operator_form(&$form, &$form_state) in /home/hvv1b/public_html/sites/all/modules/views/includes/handlers.inc on line 76.
  • strict warning: Declaration of views_plugin_style_default::options() should be compatible with views_object::options() in /home/hvv1b/public_html/sites/all/modules/views/includes/handlers.inc on line 76.
Non-fictieNon-fictie
boek-afbeelding: 
Auteur: 
Henry Marsh
Uitgeverij: 
Nieuw Amsterdam, 2017
ISBN: 
978 90 468 2225 8

De Britse neurochirurg Henry Marsh verwierf een zekere internationale bekendheid door de publicatie van zijn eerste boek, dat in 2014 verscheen en in meer dan twintig talen werd uitgeven. In dat openhartige boek, dat met gemak een bestseller werd, verhaalde hij vrijuit over zijn fouten, angsten en successen en hield hij zichzelf en zijn vakgenoten een confronterende spiegel voor: “Je wordt chirurg omdat het zoiets is als jagen. Het is gewoon erg opwindend.”
Drie jaar na het verschijnen van ‘Allereerst niet schaden’ gaf hij een nieuw boek uit waarin hij vrij indringend zijn persoonlijke expertise deelt inzake het raakpunt tussen leven en dood, een fenomeen waar iedere chirurg dagelijks mee te maken krijgt.

Daarbij schuwt hij zijn eigen hersenspinsels niet. Zo duwt hij al vanaf de eerste pagina’s de lezer met de neus op de prangende vraag hoe die zou omgaan met een zelf beslissend levenseinde, zowel in de vorm van een suïcide wanhoopsdaad of verpakt in een sereen georkestreerde euthanasiemaatregel. Zèlf beschouwt hij zijn zorgvuldig opgebouwd 'suïcidekistje' dat hij thuis heeft verstopt als zijn meest waardevolle bezit. Het bevat een aantal farmaceutische stoffen die hij in de loop der jaren heeft kunnen bemachtigen - al weet hij niet of deze middelen nog zullen werken moest hij ze nodig mocht hebben, want er staan geen houdbaarheidsdatums op de producten die hij op de werkvloer uit de verpakking heeft gehaald en die eigenlijk bedoeld waren voor patiënten die het niet meer hebben gehaald. De kans dat hij deze middelen werkelijk zou aangrijpen, is dus klein want het zou gênant zijn, zeker voor een chirurg, om wakker te worden op de intensieve care na een mislukte zelfmoordpoging. Het ziekenhuispersoneel beziet suïcidepogingen trouwens vaak met meewarige minachting – mislukt in het leven, mislukt in het sterven – en ervaart het redden van dit soort ellendige mensenlevens als hopeloos tijdverlies (het recidivisme bij dit soort patiënten is erg groot).

“Ik moet dus bekennen,” schrijft de hersenchirurg verder “of ik mijn suïcidekistje ooit zou durven gebruiken wanneer – en dat zou best gauw kunnen zijn – ik geconfronteerd wordt met de eerste symptomen van dementie, of wanneer ik een ongeneeslijke ziekte zou krijgen zoals een van die kwaadaardige hersentumoren waarmee ik zo goed bekend ben door mijn werk als hersenchirurg. Wanneer je je fit en gezond voelt is het betrekkelijk makkelijk om je te verbeelden waardig te zullen sterven door er zelf een eind aan te maken, want de dood is dan nog veraf. Als ik niet plotseling sterf door een beroerte, een hartaanval of doodgereden word, kan ik niet voorspellen wat ik zou voelen wanneer ik weet dat mijn leven ten einde loopt – en dat einde zou heel goed schrijnend en vernederend kunnen zijn. Als arts mag ik me geen illusies maken. Maar het zou me toch niet echt verbazen wanneer ik me zou vastklampen aan het kleine beetje leven dat me nog rest.”

In landen waar zogeheten medisch begeleide suïcide wettelijk mogelijk is, merkt men vaak dat mensen die aanvankelijk kenbaar hebben gemaakt interesse te hebben in de mogelijkheid om snel te kunnen sterven, wanneer ze effectief terminaal ziek worden en het einde in zicht komt, op het laatste moment terugkrabbelen. Volgens Marsh komt dit omdat ze misschien verlangden naar niets anders dan de geruststelling dat mocht het einde bijzonder onaangenaam dreigt te worden er snel een eind aan gemaakt kan worden zodat ze zodoende hun laatste dagen vredig zouden kunnen doorbrengen. “Maar wellicht komt het ook doordat ze, bij de nadering van de dood, de hoop beginnen koesteren alsnog een toekomst te hebben.”
De auteur noemt dit cognitieve dissonantie, het verschijnsel dat we er volstrekt onverenigbare gedachten op na houden. Volgens hem komt dit omdat een deel van ons weet en accepteert dat we stervende zijn, maar dat een ander deel van ons voelt en denkt dat we nog steeds een toekomst hebben. Het is alsof onze hersenen, of tenminste een deel ervan, niet anders kunnen dan te blijven dromen. Wanneer de dood nadert kan ons zelfbeeld uiteen gaan vallen, al beschouwt Marsh veel van wat we als realiteit ervaren als een vorm van illusie of een troostend sprookje bedacht door onze hersenen en de onbewuste mechanismen en impulsen die daar deel van uitmaken, om betekenis te geven aan de ontelbare hoeveelheden prikkels die ons zowel van binnenuit als van buitenaf bereiken. Een bekwame arts zal met beide tegenstrijdige identiteiten van een stervende patiënt spreken, het deel dus dat weet dat het stervende is en het deel dat wil blijven leven. Een goede arts zal niet liegen en zijn cliënt ook geen hoop onthouden, zelfs als het alleen maar hoop is op nog enkele extra dagen leven.

En zo kom ik tot de essentie van dit boek, waarin deze hersenchirurg, die een meester is in oneliners, zijn ziel blootlegt: “Elke dokter heeft zijn eigen kerkhof, een hersenchirurg nog meer dan andere specialisten. Wij zijn iets beter geworden in het selecteren van de patiënten die vijf jaar overleven. Maar de algehele statistiek laat zien dat hersenchirurgie meestal geen effectieve behandeling is. Verleng je het leven, of verleng je het sterven? Dat is steeds weer de vraag. En neen. De idee dat neurochirurgen meer zouden begrijpen over de ziel of de geest is complete nonsens. Ik beoefen gewoon een tak van de chirurgie. Wat interessant is aan mijn vak zijn niet de filosofische of wetenschappelijke maar de menselijke kwesties. Niet dat we geen hard neuro-wetenschappelijk onderzoek moeten doen, maar ik betwijfel of we daarmee beter zullen begrijpen hoe en wat we
voelen, denken en doen. In feite zullen we nooit volledig te weten komen hoe de hersenen werken. In die zin denk dat het meeste onderzoek weggegooid geld is.”

“Maar we redden af en toe wel mensenlevens al is dat vaak voor een beperkte periode want we gaan vroeg of laat allen dood. En de vraag die ik me blijf stellen is of wij als geneesheren het recht wel hebben het leven te verlengen. Of zoals wij in Engeland zeggen: geef een oncoloog nooit een schroevendraaier. Dan opent hij de doodskist en zal hij proberen de patiënt verder te behandelen.”

Deze chirurg is ondertussen gepensioneerd en mijmert in dit confronterend boek over zijn ervaringen en persoonlijke interactie op de werkvloer met zijn patiënten van weleer - vooral dan over leven en dood. Zélf gelooft hij dat dagelijkse beweging de dood uitstelt. “Ik fiets, ik train, ik loop hard en ik drink niet al te veel alcohol. Het is deels ontkenning dat ik oud word. Je ziet als arts dagelijks tragedies en lijden. Daardoor zou je verwachten dat je je eigen problemen en vragen over ziekte en doodgaan in perspectief kunt zetten. Maar dat is niet zo: je denkt dat het patiënten overkomt maar niet jou.”
Dit is een hard boek waarbij de vele dramatische praktijkcases die deze geneesheer uit zijn jarenlange loopbaan als neurochirurg aanhaalt, zelfs de meest evenwichtige zielen onder ons behoorlijk uit het lood zullen slaan. Niet aan twijfelen.

Leo De Ley