Adieu à Dieu: Naar een religieus atheïsme

  • strict warning: Declaration of views_handler_filter_node_status::operator_form() should be compatible with views_handler_filter::operator_form(&$form, &$form_state) in /home/hvv1b/public_html/sites/all/modules/views/modules/node/views_handler_filter_node_status.inc on line 13.
  • strict warning: Declaration of views_plugin_style_default::options() should be compatible with views_object::options() in /home/hvv1b/public_html/sites/all/modules/views/plugins/views_plugin_style_default.inc on line 24.
Non-fictieNon-fictie
boek-afbeelding: 
Auteur: 
Ulrich Libbrecht
Uitgeverij: 
Antwerpen, Garant, 2014
ISBN: 
9789044131345

Het spook dat mijns inziens waart achter de tekst van Ulrich Libbrecht in ‘Adieu à Dieu,’ is de kenbaarheid van de wereld. In de filosofie wordt sinds de Copernicaanse wending in de epistemologie van Immanuel Kant, die Libbrecht overigens vernoemt, en zelfs in de natuurkunde sinds het onzekerheidsprincipe van Heisenberg, die - als ik mij niet vergis - ook in het boek vermeld wordt, de relativiteit van onze kennis beklemtoond; hetzij omdat, zoals bij Kant, de kennis niet in de eerste plaats van de dingen buiten ons afhankelijk is, maar van de menselijke mogelijkheden om kennis ervan te nemen; hetzij omdat onze meetinstrumenten dat wat we meten niet onberoerd laat en bijgevolg oorzaak is van onzekerheid, zoals Heisenberg vaststelde. In beide gevallen moeten we erkennen dat onze kennis de fenomenen behelst, dat wil zeggen de voorstellingen die we bekomen door ons contact met de werkelijkheid, maar dat de dingen zelf (de noumenale wereld) ons begrip te boven gaan.
Neokantianen, die filosofisch de idealistische tour opgingen, zochten onkantiaans naar algemene principes die deze nouminale wereld beheersen. Hermann Lotze bijvoorbeeld wenste het geloof in de steeds meer om zich heen grijpende wetenschappelijke wereld te redden, door achter de waarneembare verschijnselen een immateriële werkelijkheid als drijfveer te onderstellen. Wat we over die onkenbare wereld ook zeggen, en reeds het feit zélf dat we erover bezig zijn, is al een stap te ver. Met Wittgenstein moeten we zeggen dat we de ladder waarmee we opgeklommen zijn om dat inzicht te verwerven, nadien moeten wegwerpen en dat we moeten zwijgen over wat we niet kunnen weten. Het is een straatje zonder eind, maar we zijn nu eenmaal geneigd om straatjes in te slaan…

Libbrecht leert ons dat in Oosterse filosofieën en vooral in het authentieke boeddhisme, de mens langs een andere weg tot een gelijkaardige vaststelling is gekomen: namelijk dat een ervaring van de onmacht van het woord, de weg opent naar een gevoelsmatige beleving van de oneindigheid van het al. Tegenover de christelijke geloofsleer dat zich wil bewegen in de fenomenale wereld en de wereld van de logos en de rede, stelt hij de mystieke wereld die ook in het christendom voorkomt, maar vooral in het boeddhisme. Dit boeddhisme moet dan wel moet ontdaan zijn van haar rituelen en populaire folklore, een boeddhisme zoals het door de monniken in de kloosters wordt beleden.

Ik stel mij de vraag of Libbrecht na de idealistische neokantianen nu een zoveelste invulling van het onkenbare wenst te geven of niet. Hij schrijft bijvoorbeeld (p. 81) dat hij er zich bij neerlegt dat het niet-weten het beste is en dat hij de godsdienst laat varen voor de mystiek. De vraag blijft dan hoe hij die mystiek invult. Heeft de mens een speciale faculteit, naast het rationele, om met het mysterie van het leven om te gaan?
Twee kernbegrippen in het metafysisch denken van Libbrecht zijn energie en informatie. Dat komt min of meer overeen met de nouminale en de fenomenale wereld van Kant. De energie is de grondstof van het bestaande, maar we kennen haar enkel door de informatie die zij ons verschaft, wat we in de wetenschap ontdekken. Net als Lotze wenst hij wetenschap en religie met elkaar in overeenstemming te brengen, maar bij Lotze is de werkelijkheid achter de verschijnselen immaterieel en is hij als protestant genoodzaakt een scheppende god te erkennen, waardoor hij een panentheïsme aanhangt.
Deze energie noemt Libbrecht, onder invloed van de het Boeddhisme, ook leegte of het absolute, en nog: de onkenbare God die creatief is in de schepping of kortweg God. Net als bij Spinoza valt God samen met de natuur. In de 18de eeuw was de tegenstelling tussen de golf- en de deeltjestheorie, evenmin als de snarentheorie, gekend, zodat Lotze zich niet zoals Libbrecht op deze verschijnselen kon baseren om zijn ideeën te ondersteunen. Maar net als Lotze onderneemt Libbrecht een poging om toch nog iets meer te zeggen over de nouminale wereld, zoals dat zij geen homogeen energetisch veld kan zijn omdat dan de creativiteit die in de fenomenale wereld aanwezig is niet kan verklaard worden. Zo zijn de snaren uit de snarentheorie niet kenbaar, tenzij dan dat ze verondersteld kunnen worden omwille van bepaalde wetmatigheden; het zijn geen ‘zijnden’, maar ‘wordenden’ zegt Libbrecht en dan nadert hij weer zeer dicht de immateriële wereld van Lotze, die het eveneens over verborgen activiteiten heeft. Tenslotte: was is materie?

De filosofische uitweidingen van Libbrecht zouden het vermoeden kunnen wekken dat hij ook aanhanger is van allerlei alternatieve en pseudo-wetenschappelijke fantasieën. Niets is echter minder waar en hij zegt dat ook uitdrukkelijk. Eén redenering die ik echter als lezer niet volg, is dat het bij onontwikkelde mensen ‘verdwijnen’ van (geloof in) mirakels, relikwieën en andere heilige voorwerpen en handelingen, resulteerde in een leegte die nu opgevuld wordt door consumptie. Zou het niet eerder zo zijn dat de consumptie-explosie geleid heeft tot het verdringen van het religieuze houvast of dat dit er in elk geval toe bijgedragen heeft?
De energie of het goddelijke is enkel op negatieve wijze kenbaar, zoals in de negatieve theologie God enkel op die manier (on-)kenbaar wordt. Het is een nirvana of, in de termen van Eckhart, Nicht-Gott, maar het is wel de drijvende kracht van de wereld, de voorwaarde voor vrijheid.

Voor mij is dit alles eigenlijk reeds te véél zeggen over iets dat eigenlijk onkenbaar is. Ik hou het bij het zwijgen van Wittgenstein. Meer nog: stel geen vragen die je toch niet kunt beantwoorden. Ik hou het dus bij de fenomenale wereld - maar ook deze bewering zou reeds als teveel kunnen bestempeld worden omdat het enkel zin heeft over de fenomenale wereld te spreken als er ook een niet-fenomenale of noumenale wereld bestaat. Dat neemt niet weg dat ook ik moet erkennen dat er menselijke ervaringen zijn die buiten het terrein van verbale uitdrukkingsmogelijkheden vallen en buiten de wereld van de wetenschap; ervaringen die ik enkel kan meedelen door ze te suggéreren met woorden, zoals gevoelens. Ook het da-sein van Martin Heidegger in de ervaring van mijn sterfelijkheid, moet ik aannemen, maar ik laat het niet ‘meer’ worden dan subjectiviteit, in tegenstelling tot Heidegger.
Dit neemt evenwel niet weg dat ik nieuwsgierig blijf en dus ontzettend genoten heb van het boekje van Libbrecht. Het betreft een A5 (in A-standaard uitgedrukt) en telt slechts 120 bladzijden, maar het is werkelijk een juweeltje. Het werd op zijn 85ste geschreven op zijn ‘lijdenssponde’ in Ronse, zijn lichaam aan de kunstnier, zijn hart aan het mysterie, zoals onderaan de laatste bladzijde te lezen valt.

 

 

Hendrik Vanmassenhove