Achter Darwins horizon. Een religie voor atheïsten.

  • strict warning: Declaration of views_handler_filter_node_status::operator_form() should be compatible with views_handler_filter::operator_form(&$form, &$form_state) in /home/hvv1b/public_html/sites/all/modules/views/includes/handlers.inc on line 76.
  • strict warning: Declaration of views_plugin_style_default::options() should be compatible with views_object::options() in /home/hvv1b/public_html/sites/all/modules/views/includes/handlers.inc on line 76.
Non-fictieNon-fictie
boek-afbeelding: 
Auteur: 
Nick Broers
Uitgeverij: 
Damon, 2015
ISBN: 
9789460362101

Bij tijd en wijle duikt er weer een boek op dat aankondigt dat er nog hoop is voor atheïsten: ook zij kunnen nog aan religie doen. Dat is paradoxaal genoeg om de aandacht te trekken. Men verwacht immers niet dat atheïsten van nature geneigd zullen zijn om religieus te zijn in de vertrouwde betekenis van dat woord als een synoniem voor godsdienstig. Anderzijds zijn er bepaalde aspecten van de bestaande godsdiensten of van ‘religiositeit’ die ook atheïsten aanspreken, al was het maar het samenhorigheidsgevoel en de behoefte om de eigen opvattingen te delen met anderen en ze uit te dragen in de wereld. Er leeft dus bij menig atheïst een onbestemd verlangen naar zoiets als godsdienst, maar dan zonder God en zijn dienst.

De auteur van ‘Achter Darwins horizon. Een religie voor atheïsten’ wekt dan ook hoge verwachtingen. Nick Broers is, zo lezen we op de achterflap, ‘methodoloog en statisticus. Hij werkt als wetenschappelijk onderzoeker en statistiekdocent aan de Universiteit Maastricht.’ En dan volgt een merkwaardige toevoeging: ‘Het boek is op persoonlijke titel geschreven.’ Dat klinkt als een waarschuwing en een disclaimer. Hij schrijft het dus niet als methodoloog & co., noch als universiteitsdocent, zo moet men wel concluderen. Waarom dan toch die kwalificaties vermelden?

Bij lezing blijkt dat dit slechts een eerste aanduiding is van een diepgewortelde maar listig verborgen dubbelzinnigheid die het hele boek doorspekt. Ogenschijnlijk is het een niet onaardige, zij het weinig originele presentatie van de problematiek van de toenemende seculariteit in een wereld waarin de wetenschap een steeds grotere rol gaat spelen. Maar dat is slechts oogverblinding, zoals blijkt bij nader toezien. Dan stellen we vast dat de vele bladzijden, zowat 99% van het boek, weliswaar gewijd zijn aan de voorstelling van de wetenschappelijke vooruitgang en het aftakelen van de irrationaliteit, maar dat de auteur daarmee slechts een verborgen agenda dient. Op een bijzonder listige wijze en met uiterste precisie brengt hij in dat ogenschijnlijk objectief verhaal bijna ongemerkt minieme nuances aan, die hem in staat stellen om in enkele zinnen en passages de indruk te geven dat er geen enkele onverzoenlijkheid bestaat tussen de wetenschap zoals hij die heeft beschreven en zijn persoonlijk standpunt.

Wat is dat persoonlijk standpunt dan? Ook hier is hij verstandig (en leep) genoeg om dat niet expliciet te vermelden. Hij beweert alleen de ruimte te willen creëren, of te suggereren, waarin het weer mogelijk wordt de ‘grote vraag’ te stellen. Dat kan dan echter niets anders zijn dan de vraag naar de zin van het leven en naar datgene wat de wetenschap overschrijdt. En dat is, dat kan men toch maar moeilijk ontkennen, de vraag naar God.

Om die ruimte mogelijk te maken, moet de auteur ons inziens de wetenschap ‘enigszins’ geweld aandoen. Hij doet dat echter niet als een beeldenstormer, maar met de slimme sluwheid en de zalvende zoetgevooisdheid van een slinkse Saruman. Herhaaldelijk zaait hij onschuldig en redelijk lijkende twijfels, binnen zijn voorstelling van de wetenschap en zogezegd op louter wetenschappelijke en algemeen aanvaarde en bewezen gronden, over bijvoorbeeld de evolutieleer en de kwantummechanica, die hem later moeten toelaten daaruit conclusies te trekken over wat de wetenschap overschrijdt. Maar telkens haast hij zich daarbij uitdrukkelijk te vermelden dat hij dan niet meer als wetenschapper spreekt, zodat men hem niet kan verwijten dat hij wetenschappelijke onwaarheden vertelt.

Het is een zeer subtiel spel dat Broers briljant speelt. Het is pas naar het einde van het boek toe dat de aap uit de mouw komt en dan nog op een quasi argeloze, omzeggens verontschuldigende manier. De wetenschap blijft helemaal intact, of toch bijna, en wat er achter Darwins horizon schuilt, vernemen we niet, maar dat er iets moet zijn, dat lijkt wel onvermijdelijk, nietwaar.

De auteur meent dat de wetenschap perfect kan samengaan met een houding waarbij men slechts twee onschuldige ogende bijkomende aannames postuleert, die echter door de wetenschap niet uitgesloten worden. Het gaat dan om ‘niet-lokale samenhang’ en ‘convergentie’. Wat moeten we daaronder verstaan? Blijkbaar dat er een niet-causaal verband bestaat tussen bepaalde dingen en dat die samenhang leidt tot specifieke gevolgen. De eerste claim ontleent hij aan het onzekerheidsprincipe van de kwantummechanica, het tweede aan zijn kritiek op de evolutietheorie. Hoewel slechts weinigen het zullen aandurven te stellen dat zij de kwantummechanica begrijpen, is het toch duidelijk dat Broers in zijn boek daarvan een hoogst bedenkelijke voorstelling geeft, die allicht door geen enkele geleerde zal onderschreven worden. Bovendien maakt hij een totaal ongeoorloofde gedachtesprong van het subatomaire niveau van de kwanta naar de wereld van de voorwerpen en de levende wezens; niemand heeft ooit kunnen aantonen dat een dergelijke enorme uitbreiding zelfs maar denkbaar is, laat staan dat men ze heeft kunnen vaststellen.

De tweede claim berust op een verdachtmaking van de evolutieleer en een ondergraven van het basisprincipe van de natuurlijke selectie. Enkel op die manier kan hij komen tot zijn opvatting over het betekenisvol toeval. Hij bedoelt daarmee niet dat het toeval een betekenis kan hebben voor een individu of een groep, maar dat sommige toevalligheden betekenisvol zijn, dat ze bedoeld zijn. Met andere woorden, dat ze niet toevallig zijn. Nu zal iedereen het er wel mee eens zijn dat de evolutie niet absoluut toevallig is en dat er wel degelijk sprake is van een zekere convergentie. Wanneer men, of de natuur, met bepaalde elementen experimenteert, zijn er slechts bepaalde gevolgen die zich kunnen voordoen. De gedachte dat op elk ogenblik om het even wat kan gebeuren is zo idioot dat het zonder meer ondenkbaar is dat een wetenschapper ze zou opperen. De vaststelling dat bijvoorbeeld de mens is ontstaan uit de elementen die resulteerden uit de oerknal is dan ook geen bewijs van een absoluut toeval, noch van een bedoelde convergentie of teleologie.

Wat moeten we met een boek als dit?

In de eerste plaats: voorzichtig zijn. Het grootste deel van het boek is een zonder meer bona fide voorstelling van de wetenschap. Er schuilen echter addertjes onder het gras en daarvoor moet men beducht zijn. De subtiele, niet-agressieve manier waarop Broers bijna onmerkbaar zijn sluipende twijfel zaait, is verraderlijk. Het lijkt allemaal zo vanzelfsprekend en het komt zo overtuigend over - zeker in de overweldigende correct voorgestelde wetenschappelijke context. Is de twijfel niet het begin van de wijsheid? En vinden we die twijfel niet overal in de wetenschap? De lezer moet dus al sterk in zijn schoenen staan om halverwege een drastische drogreden halt te houden en te zeggen: wacht eens even, is dat wel zo?

Een onbelangrijk detail illustreert dat duidelijk. Broers vermeldt Cees Dekker als een van de voorstanders van Intelligent Design. Ik vond dat verdacht en keek het even na op Wikipedia en daaruit blijkt dat hij zich al jaren geleden openlijk tegen Intelligent Design heeft uitgesproken. Dit is slechts een voorbeeld van de manier waarop Broers de waarheid wel geweld moét aandoen om zijn doel te bereiken. En dat doel is, ondanks de wetenschappelijke inkleding, niets anders dan het ontkennen van de fundamentele principes van de wetenschap.

Het is jammer dat we tot deze strenge conclusie moeten komen. Het is immers voor velen duidelijk geworden dat er bij de steeds groeiende groep van mensen die diep overtuigd zijn van de wetenschappelijke methode, toch een verwachting leeft naar vormen van beleving van hun overtuiging - al dan niet gezamenlijk en al dan niet georganiseerd.        Er zijn al dergelijke initiatieven in verscheidene landen, maar ze zijn divers en meestal marginaal en missen daardoor maatschappelijke slagkracht. Het is altijd al moeilijk geweest, en het zal wellicht steeds moeilijk blijven om individualisten te verenigen. En dat is een zware hypotheek op de levensvatbaarheid van een religie voor atheïsten.

 

Karel D’huyvetters